StiPP en werkingssfeer – a never ending discussion

Nederland heeft ongeveer 54 verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfondsen. Werkgevers, werknemers en zelfstandigen kunnen wettelijk verplicht zijn mee te doen aan de pensioenregeling van zo’n verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds. En als die verplichting er is, hoort daar natuurlijk ook bij dat verplicht premie moet worden afgedragen aan het fonds.

Wie verplicht is zich aan te sluiten, is voor alle 54 verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfondsen vastgelegd in regelgeving, en wel in 54 verschillende zogenaamde werkingssferen. Helaas zijn die werkingssferen vaak verre van duidelijk. En dat is vervelend, want in de praktijk komt het daardoor regelmatig voor dat de betrokken partijen – werkgevers, werknemers, zelfstandigen en ook de pensioenfondsen zelf – niet weten waar ze aan toe zijn.

StiPP, voluit Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten, is het verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfonds voor de uitzendbranche. En StiPP is een fonds dat – overigens terecht – actief achter bedrijven aangaat die mogelijk verplicht zijn zich bij StiPP aan te sluiten. Detacheerders en payrollers die als zodanig zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, krijgen van StiPP steevast een vragenformulier dat is bedoeld om te onderzoeken of een aansluitingsverplichting bestaat. De kans is groot dat StiPP concludeert dat die verplichting er inderdaad is, omdat er volgens StiPP een gegronde indicatie zou zijn dat de werkgever voor ten minste 50% van het premieplichtige loon op jaarbasis werknemers zou uitzenden.

Dat heeft geleid tot vele rechtszaken tussen bedrijven met detacheringsactiviteiten en StiPP, want onder meer over de vraag of bij een bepaalde detacheerder sprake is van “uitzenden” kan veel discussie bestaan. Een terugkerend thema in die rechtszaken is, of werknemers van de detacheerder “onder leiding en toezicht” van een opdrachtgever werken, wat een voorwaarde is om van “uitzenden” te kunnen spreken. Dat is een lastige discussie, waarvan de uitkomst per werknemer en per opdracht anders kan zijn.

Een Kantonrechter in Amsterdam gaf vele detacheerders hoop door in een vonnis van juli 2013 het allocatiecriterium toe te passen. De Kantonrechter oordeelde dat een voorwaarde voor “uitzenden” is dat de werkgever een traditionele allocatiefunctie vervult, wat wil zeggen dat de werkgever vraag en aanbod van werk van tijdelijke aard (“ziek of piek”) bij elkaar brengt. Dat is een engere definitie van “uitzenden” dan die daarvoor werd gehanteerd, waardoor een werkgever minder snel verplicht zou zijn zich aan te sluiten bij StiPP. Een zwaluw maakte nog geen zomer. Hof Arnhem-Leeuwarden en Hof Amsterdam wezen na het vonnis van de Kantonrechter tegenstrijdige arresten over het belang van het allocatiecriterium. Er werden ook Kamervragen gesteld. En uiteindelijk veegde de Hoge Raad het allocatiecriterium in november 2016 weer van tafel (Care 4 Care/StiPP; ECLI:NL:PHR:2016:2356). Daardoor is nu duidelijk dat het al dan niet bestaan van een allocatiefunctie geen plaats heeft in een werkingssfeerdiscussie met StiPP; een allocatiefunctie is geen voorwaarde om van “uitzenden” te kunnen spreken.

En dat betekent dat de praktijk aangewezen blijft op de ruimere uitleg van het begrip “uitzenden” en daarmee vaak op het voeren van de oude discussie of de werkgever voor ten minste 50% van het premieplichtig loon op jaarbasis werknemers “onder leiding en toezicht” van een opdrachtgever laat werken. De uitkomst kan per jaar verschillen. De rechter mag het uiteindelijk zeggen. Ga er maar aan staan.